Private Banking

Wanneer heeft u recht op het voordeel van ‘vvpr-bis’?

Heeft u een vennootschap en wilt u zich een dividend laten uitkeren, dan betaalt u daar in principe 30% roerende voorheffing op. Soms kan dat tarief evenwel gehalveerd worden. Wanneer is dat het geval, en wat is daar onlangs aan veranderd?

Hoeveel roerende voorheffing?

Het normale tarief van de roerende voorheffing (rv) die uw vennootschap moet inhouden wanneer ze aan u als aandeelhouder een dividend uitkeert, bedraagt 30%. Dat is sinds 1 januari 2017 immers het standaardtarief van de roerende voorheffing. Daarop bestaan er echter een aantal uitzonderingen.


Liquidatiereserve (‘vvpr-ter’)

Via een liquidatiereserve betaalt u 13,64% rv, maar u moet 5 jaar geduld hebben

De eerste optie die u altijd moet bekijken om van een lagere rv te kunnen genieten, is de ‘liquidatiereserve’.

Als uw vennootschap een ‘liquidatiereserve’ aangelegd heeft, kan voor de dividenden die uit die reserve voortkomen een tarief van 20% of 5% toegepast worden (zie verder). Dit wordt ook wel eens de ‘vvpr-ter’ regeling genoemd. Een liquidatiereserve is (een deel van) de winst van een bepaald boekjaar. Hierop wordt op het moment van de aanleg van de liquidatiereserve door uw vennootschap 10% extra belasting betaald, maar verder is geen bijkomende belasting meer verschuldigd indien u dat geld pas uit uw vennootschap haalt bij de ontbinding en vereffening (‘liquidatie’) ervan.

Legt u geen liquidatiereserve aan, dan moet er bij de liquidatie van uw vennootschap maar liefst 30% roerende voorheffing ingehouden worden op de zogenaamde ‘liquidatiebonus’ (lees: op de reserves die op dat ogenblik nog in uw vennootschap zitten).

Die liquidatiereserve hoeft echter niet tot aan de liquidatie in de vennootschap gehouden worden. Ze kan tijdens het bestaan van de vennootschap uitgekeerd worden onder de vorm van een dividend. Doet u dat binnen de vijf jaar nadat de liquidatiereserve aangelegd werd (vanaf boekjaar 2017), dan moet op dat  dividend 20% rv ingehouden worden. Op de uitkering van liquidatiereserves na een wachtperiode van minstens vijf jaar moet maar 5% roerende voorheffing betaald worden. Samen met die 10% extra belasting zou u in het totaal aan 30% respectievelijk 15% belastingen komen, maar door de ingewikkelde berekening van de belasting op de liquidatiereserve is dat in de praktijk maar 27,27% respectievelijk 13,64%. 

Let wel, de fiscale gunstregeling van de liquidatiereserve staat enkel open voor vennootschappen die op het moment van de aanleg van de liquidatiereserve ‘klein’ zijn volgens de criteria van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen. Dat is het geval voor een vennootschap die in de twee voorbije boekjaren maximaal één van de volgende drie criteria overschreden heeft:

  • Een balanstotaal van maximaal € 4.500.000;
  • Een omzet die niet hoger is dan € 9.000.000 (excl. btw);
  • Maximaal 50 personeelsleden tewerkstellen.

Heeft uw vennootschap (nog) geen liquidatiereserve aangelegd of heeft u geen tijd om vijf jaar te wachten alvorens een dividend uit te keren, dan bestaat er mogelijk een alternatief dat u toelaat om alsnog slechts 15% roerende voorheffing te moeten betalen.

 

Vvpr-bis

grâce au VVPR bis, vous ne payez que 15 % de PM sous certaines conditions

Op de uitkering van een vvpr-bis dividend moet slechts 15% roerende voorheffing ingehouden worden in de plaats van de normale 30%. Er moeten uiteraard wel een aantal voorwaarden vervuld zijn. De voorwaarden voor vvpr-bis-aandelen (die samen vervuld moeten zijn) zien er kort samengevat als volgt uit:

  •  Het moet gaan om nieuwe aandelen op naam van (op het moment van de inbreng van het kapitaal) ‘kleine’ vennootschappen (zie hoger). Het moeten bovendien aandelen zijn zonder voorkeursrecht ten aanzien van de deelname in het kapitaal of in de winst of ten aanzien van de verdeling van het maatschappelijk vermogen.
  • Die aandelen moeten - bij de oprichting van de vennootschap of bij een kapitaalverhoging met uitgifte van nieuwe aandelen - uitgegeven zijn in ruil voor inbrengen in geld, en niet ‘in natura’ (bijvoorbeeld de inbreng van een gebouw). Die inbreng moet op het ogenblik van de uitkering van het dividend volledig volstort zijn.
  • De uitgifte van die aandelen moet vanaf 1 juli 2013 gebeurd zijn. Het kan daarbij gaan om vennootschappen die sinds 1 juli 2013 nieuw opgericht zijn, of om kapitaalverhogingen die sinds 1 juli 2013 gedaan zijn en waarbij nieuwe aandelen uitgegeven werden. Dat betekent dat vennootschappen die vóór 1 juli 2013 opgericht werden en sindsdien ook hun kapitaal niet verhoogd hebben, nooit van de vvpr-bis gunstregeling gebruik kunnen maken!
  • Het moet bovendien gaan om dividenden die toegekend worden uit de winstverdeling, vanaf het derde boekjaar na het boekjaar van de inbreng van het geld. Er geldt initieel dus een zekere (eenmalige) wachttermijn.
  • De aandelen moeten (behoudens een paar uitzonderingen) ononderbroken in volle eigendom in het bezit blijven van de aandeelhouder die de inbreng in geld gedaan heeft.

Het tarief van de roerende voorheffing bedraagt 20% voor dividenden die uitgekeerd worden uit de winst van het tweede boekjaar na het boekjaar van de inbreng van het (nieuwe) kapitaal.

In geval van een kapitaalverhoging moet er pro rata 30% rv ingehouden worden op het gedeelte van het dividend dat afkomstig is van het ‘oude’ kapitaal, en 15% rv op het gedeelte van het dividend dat afkomstig is van het ‘nieuwe’ kapitaal.

Tip: Neem elk jaar sowieso een dividend op van 800 euro (bedrag voor aanslagjaar 2023), ook als u in feite niet van plan bent om een dividenduitkering te doen. Dat bedrag is namelijk altijd vrijgesteld van belasting (er moet in eerste instantie wel rv op ingehouden worden, maar die kunt u via uw belastingaangifte recupereren). Rijk zal u er niet van worden, maar anderzijds zou het ook jammer zijn om dit te laten liggen …

Let op! Een dividend is niet fiscaal aftrekbaar voor de vennootschap die het uitkeert. Dat betekent dat er in principe ook 25% (eventueel 20%) vennootschapsbelasting op betaald moet worden, waardoor de totale fiscale kost van een dividend waarop 30% rv betaald moet worden, doorgaans bijna even hoog ligt als de fiscale kost van een loon…

Nieuw vennootschapsrecht

De recente hervorming van het vennootschapsrecht heeft het verplichte minimumkapitaal van 18.550 euro dat vroeger voor bepaalde vennootschappen (onder andere de bvba) gold, afgeschaft. Dit terwijl een minimum volstort kapitaal van minstens 18.550 euro vereist was voor de toepassing van de vvpr-bis. Dit betekende dat bijvoorbeeld een VOF, die ook onder het ‘oude’ vennootschapsrecht geen minimumkapitaal moest hebben, slechts recht had op het vvpr-bis voordeel indien ze toch (vrijwillig) een volstort kapitaal van minstens 18.550 euro had.

Aangezien deze minimumkapitaalvereiste door het vennootschapsrecht afgeschaft werd, werd ze ook voor de toepassing van de vvpr-bis afgeschaft. De vereiste dat het kapitaal volledig volstort moet zijn op het ogenblik van de dividenduitkering, blijft wel behouden.

Daarom probeerden een aantal vennootschappen die onder de oude regels geen recht op de vvpr-bis hadden omdat hun kapitaal niet volstort was, daar nu tóch recht op te hebben door hun totale kapitaal te verminderen tot het gedeelte dat wél volstort is (of zelfs nog minder).

Concreet: veel vennootschappen (vooral bvba’s) werden opgericht met het verplichte minimumkapitaal van 18.550 euro, waarvan slechts het wettelijk verplicht minimum van 6.200 euro effectief volstort werd. Daardoor hadden ze geen recht op de vvprs-bis, maar door hun totale kapitaal nu te verminderen tot 6.200 euro (of zelfs tot 1 euro aangezien er toch geen verplicht minimumkapitaal meer geldt), is hun volledige kapitaal wél volstort en hebben ze plots toch recht op de vvpr-bis. Dit werd ook aanvaard door de Rulingcommissie (voorafgaande beslissing nr. 2020.0114 en 2020.0178, 21.04.2020).

Fiscale wetgever grijpt in!

De fiscale wetgever sluit het ‘achterpoortje’ van de kapitaalvermindering

Een dergelijke ruime toepassing van de wet was niet de bedoeling van de fiscale wetgever. Daarom heeft hij dit ‘achterpoortje’ nu gesloten. Op grond van de nieuwe regels (art. 269, §2, lid 11 WIB 92) is nu vereist dat het kapitaal dat bij uitgifte van de aandelen onderschreven werd, ook effectief volledig volstort moet zijn om recht te hebben op de vvpr-bis.

Voor vennootschappen die tussen 1 mei 2019 en 15 december 2021 beslist hebben tot een kapitaalvermindering (door vrijstelling van volstorting van kapitaal), wordt een overgangsregeling voorzien. Zij kunnen voor hun dividenduitkeringen toch nog van de vvpr-bis genieten op voorwaarde dat ze hun kapitaalvermindering ‘terugdraaien’. Ze moeten met andere woorden uiterlijk op 31 december 2022 hun kapitaal opnieuw (in geld) verhogen tot het initieel onderschreven bedrag van vóór de vrijstelling van volstorting, en dit zonder uitgifte van nieuwe aandelen.

Er werden ook nog enkele andere, minder belangrijke wijzigingen aan de vvpr-bis regeling aangebracht, maar daar gaan we hier niet verder op in.

Conclusie:

  •  Het standaardtarief van de roerende voorheffing op dividenden bedraagt 30%. Een dividend is voor de vennootschap die het uitkeert ook niet aftrekbaar. Dat maakt een dividend fiscaal gezien zeer duur.
  • Via de aanleg van een liquidatiereserve kunt u de roerende voorheffing verlagen tot 13,64%, maar dan moet u wel vijf jaar geduld hebben.
  • Via de vvpr-bis regeling kunt u de roerende voorheffing verminderen tot 15%, indien een aantal voorwaarden vervuld is. Zo moet onder andere het kapitaal van de vennootschap volledig volstort zijn.
  • Het nieuwe vennootschapsrecht heeft het minimumkapitaal voor vennootschappen afgeschaft, maar fiscaal werd de volstortingsplicht wel behouden voor de toepassing van de vvpr-bis. De wetgever belet nu evenwel dat vennootschappen die vroeger geen recht hadden op de vvpr-bis omdat hun kapitaal niet volledig volstort was, daar nu wel recht op kunnen hebben door eenvoudigweg hun totale kapitaal te verminderen tot het volstortte bedrag.