Private Banking

‘Interne meerwaarden’ zijn niet altijd belastbaar!

Verkoopt u aandelen, dan is de meerwaarde die u daarbij realiseert in principe niet belastbaar. Verkoopt u echter aandelen van uw eigen vennootschap aan een holding waarin u zelf een (belangrijke) participatie bezit, dan is de meerwaarde op die aandelen volgens de fiscus (en de rechtspraak) wél belastbaar. Toch zijn er situaties mogelijk waarin die meerwaarde niet belastbaar is. Dat blijkt onder andere uit een recente ruling. Waarom aanvaardt de fiscus in die ruling dat de interne meerwaarde niet belastbaar is, en wat kunt u daaruit leren met betrekking tot uw eigen vennootschap?

‘Interne meerwaarden’

‘Interne meerwaarden’ ontstaan bij een ‘interne verkoop’. Concreet verkoopt u daarbij aandelen van uw eigen (werk)vennootschap aan een holding waarin u het voor het zeggen heeft (uw ‘eigen’ holding). Aangezien meerwaarden op aandelen in principe niet belast worden, is destijds een courante fiscale praktijk ontstaan waarbij een doelbewuste verkoop van de aandelen van het eigen bedrijf aan een eigen holding georganiseerd werd, om zo belastingvrij te kunnen ‘cashen’.

We illustreren die techniek aan de hand van een eenvoudig voorbeeld.

Stel u heeft 20 jaar geleden een vennootschap heeft opgericht met een gestort kapitaal van 100.000 euro. Nu is die vennootschap 5.000.000 euro waard. Ze is zeer winstgevend, bevat 2.000.000 euro reserves die ze in de loop der jaren opgebouwd heeft, en is in staat om jaarlijks een mooi dividend uit te keren. Laat u zich als aandeelhouder-bedrijfsleider dividenden uitkeren, dan moet uw vennootschap daarop in principe 30% roerende voorheffing inhouden (al bestaan er wel manieren om de belastingdruk tot ongeveer 15% te doen dalen, bijvoorbeeld door een liquidatiereserve aan te leggen).

Stel dat u nu een holdingvennootschap opricht. U verkoopt de aandelen van uw werkvennootschap voor 5.000.000 euro aan de holding. U realiseert daarbij dus een meerwaarde van 4.900.000 euro (5.000.000 min het oorspronkelijk gestorte kapitaal van 100.000 euro). Om aan het nodige geld te geraken om de verkoopprijs van de aandelen aan u te betalen, haalt de holding de 2.000.000 euro reserves uit de werkvennootschap via een ‘superdividend’. Dat dividend wordt dankzij de zogenaamde dbi-aftrek bij de holding niet belast, en er moet ook geen roerende voorheffing op ingehouden worden. Zij stort dat bedrag vervolgens aan u door, en ook u wordt er niet op belast aangezien meerwaarden op aandelen niet belast worden. De rest van de verkoopprijs lost de holding in de loop van de komende jaren af via het jaarlijks dividend dat ze (belastingvrij) uit de werkvennootschap ontvangt. U ontvangt dus 5.000.000 euro waarop u 0% belastingen betaalt, in plaats van (in principe) 30%. U bespaart hierdoor dus 1.470.000 euro belastingen.

De fiscus gaat in de aanval

Het spreekt voor zich dat de fiscus dit niet graag ziet gebeuren. Hij countert de realisatie van dergelijke belastingvrije meerwaarden via ‘een verkoop aan uzelf’ dan ook op twee manieren.

Om te beginnen kan de fiscus deze meerwaarden als ‘abnormaal’ beschouwen. Enkel meerwaarden op aandelen die onder het ‘normaal beheer’ van uw privévermogen vallen, zijn belastingvrij (art. 90 lid 1, 9° WIB 92). Omdat u speciaal hiervoor een holdingvennootschap opricht en zowel de holdingvennootschap als de werkvennootschap volledig van u zijn, beschouwt de fiscus interne meerwaarden als ‘abnormaal’. Ze belast deze als een zogenaamd ‘divers inkomen’ tegen 33%. Daardoor zou u op de meerwaarde van 4.900.000 euro, 1.617.000 euro belastingen moeten betalen (plus eventuele belastingverhogingen).

Normale’ meerwaarden zijn meerwaarden die u realiseert bij de verkoop van aandelen aan een volledig onafhankelijke derde partij, tegen marktconforme voorwaarden.

Ten tweede kan de fiscus tegen interne meerwaarden de zogenaamde algemene antimisbruikbepaling inroepen (art. 344, §1 WIB 92). U gebruikt de techniek van de belastingvrije interne meerwaarden immers als een alternatief voor een dividenduitkering, die wél belast wordt. Kunt u daarvoor geen andere dan fiscale redenen voorleggen, dan kan de fiscus op basis van de antimisbruikbepaling de belastingvrije verkoop van de aandelen in een dividenduitkering kunnen herkwalificeren. Daarop moet u dan sowieso 30% belastingen betalen (de voorwaarden voor het verlaagd tarief van 15% zijn in dit geval immers niet vervuld). Concreet zou u daardoor op uw meerwaarde van 4.900.000 euro, 1.470.000 euro belastingen moeten betalen (plus eventuele belastingverhogingen).

Meestal volgt de rechtspraak de fiscus hierin. Vooral inzake het ‘abnormaal’ karakter van de meerwaarden bestaat er al heel wat rechtspraak in het voordeel van de fiscus.

Soms toch belastingvrij!

Enkel indien de meerwaarde ‘abnormaal’ is, of indien er voor de realisatie van de interne meerwaarden louter fiscale motieven aanwezig zijn, kan de fiscus de meerwaarde belasten. U kunt met andere woorden aan de belasting ontsnappen door zelf aan te tonen dat de meerwaarde helemaal niet ‘abnormaal’ is, of dat u ook niet-fiscale motieven heeft om uw aandelen te verkopen aan een holding waarin u zelf een participatie bezit.

Een interne verkoop kan evenwel ook ingegeven zijn door economische of familiale motieven. In zo'n geval kan een divers inkomen vermeden worden, want de interne verkoop past dan in een ‘normaal’ beheer van uw privévermogen. De verkoop is dan ingegeven door ‘normale’ economische of familiale motieven.

Ook een toepassing van de algemene antimisbruikbepaling kan dan vermeden worden, omdat de interne verkoop niet is ingegeven door louter fiscale motieven. Daardoor ontbreekt het ‘subjectieve element’ van fiscaal misbruik. Over zo'n geval werd onlangs een ruling gepubliceerd, waarin de fiscus aanvaardt dat de interne meerwaarde belastingvrij gerealiseerd kan worden (Ruling 2020.2212 van 9 februari 2021). Daaruit blijkt dat een interne verkoop wel degelijk geïnspireerd kan zijn door sterke economische of familiale motieven (dus niet-fiscale motieven), en dus belastingvrij kan gebeuren.

Pro memorie: in een ‘ruling’ of ‘voorafgaande beslissing’ kunt u veiligheidshalve op voorhand (dus vooraleer u de aandelen aan de holding verkoopt) aan de fiscus vragen of hij akkoord gaat met een belastingvrije verkoop. Zo bent u zeker dat u achteraf geen aanslag van 30% of 33% kunt verwachten… Die rulings worden op de website van de fiscus gepubliceerd. Samen met de rechtspraak terzake vormen ze een nuttige bron van informatie over wat volgens de fiscus wel of niet kan

Feiten

Een ongehuwd maar wel wettelijk samenwonend koppel heeft strikt gescheiden vermogens. Beide partners zijn werkzaam in dezelfde werkvennootschap, die actief is in de dienstensector. Om historische redenen heeft de vrouw 13% en de man 87% van de aandelen van de vennootschap.

De activiteit van de vrouw binnen de vennootschap is de voorbije jaren sterk toegenomen, tot op hetzelfde niveau als de activiteit van de man. Het is dan ook logisch dat ze evenveel aandelen in de vennootschap verwerft als de man en ook bestuurder wordt.

De bedoeling is dus dat beide partners elk 50% van de aandelen van de vennootschap zullen bezitten. In de huidige situatie wordt het vermogen van de man, die veel meer aandelen bezit, immers disproportioneel verrijkt door de inspanningen die de vrouw in de vennootschap levert. De vennootschap wordt immers jaar na naar meer waard. Bovendien kan de man de vrouw eenzijdig ontslaan als bestuurder, zolang hij de meerderheid van de aandelen bezit (en dus van de stemrechten in de algemene vergadering).

Een eenvoudige oplossing zou zijn dat de vrouw 37% van de aandelen van de man overkoopt. Alleen is dat voor haar financieel niet haalbaar. Binnen hun familiale situatie is het evenmin wenselijk dat ze – doordat ze de verkoopprijs niet (ineens) kan betalen – een grote schuld ten aanzien van haar man heeft.

Voorgestelde oplossing

Om het gestelde doel te bereiken willen de man en de vrouw samen een holding oprichten, waarin ze elk 50% van de aandelen bezitten. Daartoe zouden ze evenveel kapitaal inbrengen. Dat kapitaal zou bestaan uit aandelen van de werkvennootschap. De vrouw zou haar 13% van de aandelen inbrengen, en ook de man zou 13% aandelen inbrengen (van de 87% die hij in totaal bezit). De overige 74% zou hij dan aan de holding verkopen. De holding zou de verkoopprijs over een termijn van 10 jaar afbetalen.

Voordelen van deze oplossing:

  • Man en vrouw hebben evenveel aandelen in en dus ook evenveel zeggenschap over de holding. De holding bezit op zijn beurt alle aandelen van de werkvennootschap en heeft dus alle zeggenschap over de werkvennootschap. Doordat de man en de vrouw evenveel zeggenschap in de holding hebben, hebben ze ook evenveel zeggenschap over de werkvennootschap. Daarin schuilt meteen ook een economisch belang: door de gelijkschakeling worden beide partners gemotiveerd om zich verder in te zetten voor de werkvennootschap. De continuïteit en groei van de werkvennootschap bepalen op hun beurt de waarde van de aandelen van de holding (economisch belang van beide partners), en zijn nodig om de prijs van de aandelen aan de man te kunnen afbetalen (economisch belang van de man).
  • In deze constructie heeft de vrouw geen schuld aan de man ten belope van de verkoopprijs van de aandelen die ze niet kan betalen. Het is immers de holding die een schuld aan de man heeft. Familiaal gezien is deze situatie wenselijker.
  • De holding biedt meer opties om op termijn via een successieplanning de kinderen bij de werkvennootschap te betrekken.

Het is dus duidelijk dat de motieven voor de interne verkoop niet in de eerste plaats fiscaal geïnspireerd zijn, maar wel in de economische en familiale context gesitueerd moeten worden.

Standpunt van de fiscus

De inbreng van twee keer 13% van de aandelen van de werkvennootschap in de holding is volgens de fiscus niet belastbaar, aangezien dit niet direct aanleiding geeft tot een fiscaal voordeel voor de man en de vrouw. Het gestort kapitaal van de holding dat gecreëerd werd naar aanleiding van de inbreng van de aandelen wordt immers beperkt tot hun aanschaffingswaarde in hoofde van de inbrenger (lees: het bedrag van het gestort kapitaal in de werkvennootschap). Het verschil tussen de werkelijke waarde van de ingebrachte aandelen en de aanschaffingswaarde wordt daarbij als een belaste reserve aangemerkt. Deze inbreng kan dan ook geen aanleiding geven tot een latere belastingvrije kapitaalvermindering.

Ook de verkoop van de overige 74% van de aandelen van de werkvennootschap door de man aan de holding, is voor de fiscus geen probleem. Nochtans worden deze wel voor hun werkelijke (markt)waarde verkocht, zodat er wel degelijk een belastingvrije meerwaarde in hoofde van de man gerealiseerd wordt. Toch zal de fiscus die meerwaarde niet belasten. De verkoop maakt immers deel uit van een reorganisatie die ingegeven is door economische en familiale motieven (zie hoger). Er zijn met andere woorden ook heel duidelijke niet-fiscale motieven voor deze verkoop aanwezig, namelijk een economisch en familiaal gewenste structuur bereiken. Deze operatie is dan ook niet ‘abnormaal’ of kunstmatig.

Wat is voor de fiscus van belang?

Naast de hierboven vermelde specifieke economische en familiale motieven voor reorganisatie, zijn er ook een aantal klassieke en meer algemene elementen aanwezig die doorgaans door de fiscus in aanmerking genomen worden om te oordelen of er sprake is van een ‘normale’ verrichting:

  • De man en de vrouw hadden de aandelen al langere tijd in hun bezit. Het gaat dus niet om aandelen die ze recent aangekocht hadden met het oog op een snelle wederverkoop.
  • Het gaat niet om een complexe verrichting of een spitsvondig feitencomplex.
  • Er zitten geen overtollige liquiditeiten in de werkvennootschap die men er op een fiscaal vriendelijke manier probeert uit te halen.
  • De waarde van de aandelen werd vastgesteld op basis van een onafhankelijke waardering.

Kortom, de man en de vrouw spelen het spel op een correcte manier.

Naast deze algemene elementen spelen ook een aantal elementen die specifiek zijn voor deze situatie een rol. Er zijn immers de hierboven vermelde economische en familiale motieven voor de reorganisatie. Maar ook de specifieke vermogensrechtelijke situatie van de man en de vrouw is van belang.

Een belangrijk aspect is namelijk dat de vermogens van de man en de vrouw volledig gescheiden zijn: ze zijn niet gehuwd en hebben ook geen samenlevingscontract dat een vermenging van hun vermogens creëert. Dat is belangrijk, omdat het familiale motief van het organiseren van de persoonlijke vermogenssituaties van de man en de vrouw anders geen stand zou houden. Mogelijk was het standpunt van de fiscus dus anders geweest indien het koppel gehuwd was en de aandelen tot hun gemeenschappelijk vermogen behoorden.

De zuivere scheiding van de vermogens heeft bovendien tot gevolg dat de man geen individuele controle heeft over de holding, aangezien hij maar 50% van de aandelen bezit (en dus ook van de stemrechten in de algemene vergadering). Hij kan nergens alleen over beslissen, want de vrouw heeft evenveel te zeggen. Het gaat dus om twee onafhankelijke aandeelhouders met een eigen, individueel belang. Het gaat dan ook niet om een verkoop van aandelen aan een holding die door de man ‘gecontroleerd’ wordt. 

Wat moet u hiervan onthouden?

Het is dus wel degelijk nog mogelijk om aandelen belastingvrij te verkopen aan een holding waarin u een participatie bezit. Weliswaar is zo’n belastingvrije verkoop eerder uitzondering dan regel.

Of een belastingvrije verkoop mogelijk is, moet beoordeeld worden in functie van de concrete omstandigheden. Er zijn een aantal meer algemene criteria waarmee de fiscus rekening houdt, en er zijn een aantal elementen die specifiek zijn voor de verrichting die beoordeeld moet worden. Samen bepalen deze elementen of een belastingvrije verkoop mogelijk is.

Overweegt u, bijvoorbeeld in het kader van een verkoop van uw bedrijf of een successieplanning, een verkoop van aandelen aan een holding waarin u zelf participeert? Dan is het zeker geen slecht idee om vooraf het standpunt van de fiscus te vragen via een ruling. Het gaat doorgaans immers om veel geld, zodat onaangename fiscale verrassingen achteraf niet wenselijk zijn. Zorg voor een stevig dossier waarin u een aantal niet-fiscale motieven voor de verkoop van uw aandelen voldoende onderbouwt.

Conclusie: 

  • Hoewel meerwaarden op aandelen niet belastbaar zijn, zal de fiscus de prijs die u ontvangt voor de verkoop van aandelen van uw werkvennootschap aan een holding waarin u een (meerderheids)participatie bezit, in principe toch belasten. Voor de fiscus gaat het immers niet om het ‘normaal beheer’ van uw privévermogen, of om een operatie die u opzet met als voornaamste doel een fiscaal voordeel te behalen, zodat de algemene antimisbruikbepaling erop van toepassing is.
  • Dat betekent niet dat zo’n verkoop per definitie belastbaar is. Er kunnen voldoende argumenten voorhanden zijn om te oordelen dat de verkoop wel degelijk tot het normaal beheer van uw privévermogen behoort, of dat er belangrijke niet-fiscale motieven aanwezig zijn zodat de antimisbruikbepaling niet van toepassing is.
  • Belangrijk is dat u de algemene fiscale spelregels respecteert en dat u voldoende onderbouwde economische en/of familiale motieven kunt aanvoeren om de verkoop van de aandelen te verantwoorden.
  • Om na te gaan of een belastingvrije verkoop van aandelen aan een eigen holding mogelijk is, moet elke situatie afzonderlijk beoordeeld worden. Om onaangename fiscale verrassingen te vermijden, is het aangewezen om vooraf een ruling te vragen om het standpunt van de fiscus te kennen.

Wenst u meer informatie?