Private Banking

Successieplanning voor vennootschap: denk aan de liquidatiereserve!

Quasi alle vennootschappen die winst maken, leggen tegenwoordig een zogenaamde ‘liquidatiereserve’ aan. Dit houdt in dat ze op de winst van een bepaald jaar direct 10% extra belasting betalen bovenop de vennootschapsbelasting, en die winst vervolgens gedurende een zekere tijd in de vennootschap houden. Later kunnen ze deze dan op een fiscaalvriendelijke manier uit de vennootschap halen en vermijden dat er 30% roerende voorheffing op betaald moet worden.

Stel nu dat u in het kader van uw successieplanning de blote eigendom van de aandelen van uw vennootschap aan uw kinderen schenkt, terwijl u voor uzelf het vruchtgebruik voorbehoudt. Wie heeft in dat geval recht op die liquidatiereserve? Uzelf (de vruchtgebruiker) of uw kinderen (de blote eigenaars)?

Geld uit uw vennootschap halen via een dividenduitkering is duur

Maakt uw vennootschap winst, dan betaalt ze daarop - na aftrek van alle beroepskosten en dergelijke - in principe 25% vennootschapsbelasting (onder bepaalde voorwaarden 20% op de eerste winstschijf van 100.000 euro). Het nettobedrag dat overblijft behoort in principe tot de reserves van de vennootschap.

U kunt dat geld uit uw vennootschap halen, voornamelijk onder de vorm van een dividend. Daarop moet uw vennootschap in principe 30% roerende voorheffing inhouden. Fiscaal gezien is een dividend dus vrij duur (25% vennootschapsbelasting + 30% roerende voorheffing).

Onder bepaalde voorwaarden kunt u voor de dividenden van het verlaagde tarief van 15% roerende voorheffing genieten (de zogenaamde ‘vvpr-bis’ regeling). Zo moet uw vennootschap een KMO-vennootschap zijn en moeten de aandelen uitgegeven zijn vanaf 1 juli 2013 (bij de oprichting van de vennootschap of naar aanleiding van een latere kapitaalverhoging). Het kapitaal moet in geld ingebracht zijn, en niet in natura. Op het moment van de inbreng moet de vennootschap ‘klein’ zijn, de aandelen mogen niet ‘preferent’ zijn en de inbreng moet volgestort zijn op het moment dat de dividenden toegekend worden. Is aan die voorwaarden voldaan, dan daalt het tarief van de roerende voorheffing vanaf de winstverdeling van het tweede boekjaar na dat van de inbreng naar 20%. Vanaf het derde boekjaar daalt het tarief tot 15%. Dat is fiscaal gezien dus al een stuk interessanter dan 30%, maar gezien alle voorwaarden die vervuld moeten zijn, komen zeker niet alle vennootschappen hiervoor in aanmerking.

Liquidatiebonus

Vroeger was het zo dat er géén roerende voorheffing ingehouden moest worden op reserves die naar aanleiding van de ontbinding en vereffening van een vennootschap uitgekeerd werden. Het bedrag dat na betaling van alle schulden en kosten in het kader van de vereffening aan de aandeelhouders toegekend werd, was volledig belastingvrij. Enige tijd geleden werd een liquidatiebonus fiscaal gezien echter met een gewoon dividend gelijkgesteld, en moet ook daarop dus 30% roerende voorheffing ingehouden worden.

Omdat deze maatregel veel protest uitlokte, werd de ‘liquidatiereserve’ ingevoerd om het fiscale leed ervan te verzachten.

Wat is een ‘liquidatiereserve’?

Uw vennootschap betaalt op haar winst eerst 25% (of 20%) vennootschapsbelasting (zie hoger). Wil ze die winst niet investeren, dan kan ze deze onmiddellijk als een dividend uitkeren, ze in de vennootschap houden door ze onder de reserves te boeken, of ze naar een liquidatiereserve overboeken.

Op het bedrag dat uw vennootschap naar de liquidatiereserve overboekt, betaalt ze nog eens 10% belasting, bovenop de vennootschapsbelasting van 25%.

Houdt u het bedrag van de liquidatiereserve gedurende minstens vijf jaar in de vennootschap, dan kunt u dat geld uit uw vennootschap halen onder de vorm van een dividend, waarop ze slechts 5% roerende voorheffing moet inhouden!

Haalt u dat geld na minder dan vijf jaar uit uw vennootschap, dan is er meer roerende voorheffing verschuldigd. Alle liquidatiereserves die uiterlijk in aanslagjaar 2017 aangelegd werden en binnen de vijf jaar na aanleg als dividend uitgekeerd worden, zijn onderworpen aan een roerende voorheffing van 17%. Voor liquidatiereserves die sinds boekjaar 2017 (aanslagjaar 2018) aangelegd worden en binnen de vijf jaar als dividend uitgekeerd worden, bedraagt de roerende voorheffing 20%.

Houdt u dat geld daarentegen in de vennootschap tot bij de ontbinding en vereffening ervan (bijvoorbeeld wanneer u een managementvennootschap heeft die u sowieso zal opdoeken wanneer u met pensioen gaat), dan ontvangt u dat bedrag onder de vorm van een ‘liquidatiebonus’ (zie hoger), waarop géén bijkomende roerende voorheffing meer ingehouden zal worden!

Fiscaal gezien is een liquidatiereserve dus vaak (veel) voordeliger dan een dividend. Veel bedrijfsleiders-aandeelhouders leggen daarom systematisch elk jaar een liquidatiereserve aan met de winst van het boekjaar, om dat bedrag er vijf jaar later als een fiscaal voordelig dividend (slechts 5% roerende voorheffing) uit te halen.

De wachttermijn van vijf jaar start op de eerste dag die volgt op het boekjaar waarvoor de liquidatiereserve aangelegd wordt. De laatste dag van het boekjaar, de zogenaamde balansdatum, bepaalt dus de start van de wachttermijn. Stemt het boekjaar van uw vennootschap overeen met het kalenderjaar, dan mag u de liquidatiereserve voor 2016 uitkeren vanaf 1 januari 2021. Eindigt het boekjaar op 30 juni, dan mag u de reserve pas uitkeren vanaf 1 juli 2021.

Probleem bij schenking van de blote eigendom van uw aandelen?

In het kader van een successieplanning worden vaak aandelen van de familiale vennootschap of patrimoniumvennootschap aan de kinderen geschonken ‘met voorbehoud van vruchtgebruik’. Enkel de blote eigendom van de aandelen wordt dus geschonken. Zo wordt vermeden dat er op die aandelen (veel) successierechten betaald zullen moeten worden.

Door zelf het levenslange vruchtgebruik van de aandelen te behouden, kunt u tot het einde van uw dagen de volledige zeggenschap over de vennootschap behouden. In principe is het immers de vruchtgebruiker die de stemrechten die aan de aandelen verbonden zijn, kan uitoefenen. U kunt met andere woorden zelf bepalen of en hoelang u zaakvoerder ook bestuurder van de vennootschap blijft, hoe hoog uw loon is, hoe de vennootschap gerund wordt enzovoort. Ook de dividenden die uitgekeerd worden, komen zonder discussie toe aan de vruchtgebruiker.

De vraag is echter aan wie de liquidatiereserve toekomt: aan de vruchtgebruiker van de aandelen, of aan de blote eigenaar(s)? Liquidatiereserves zijn winsten waarvan beslist werd om ze niet onmiddellijk uit te keren en dus over te gaan tot het aanleggen van een liquidatiereserve. Noch in het Burgerlijk Wetboek, noch in het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen wordt bepaald aan wie de uitkering van de liquidatiereserve toekomt.

Juridische discussie

Louter fiscaal gezien is het antwoord op die vraag vrij eenvoudig. De uitkering van een bedrag dat als liquidatiereserve geboekt werd, is fiscaal gezien een dividend. Volgens artikel 18, §1 WIB 92 zijn dividenden “alle voordelen toegekend door een vennootschap aan aandelen en winstbewijzen hoe ook genaamd”. Op basis van de fiscale wetgeving zou dus geoordeeld kunnen worden dat de liquidatiereserve aan de vruchtgebruiker toekomt. De fiscale wetgeving werkt echter niet zonder meer door in het burgerlijk recht.

Burgerrechtelijk zijn er twee strekkingen. Volgens een minderheid van de juristen komen de dividenden uit de liquidatiereserves automatisch aan de vruchtgebruiker toe. De bedoeling van een liquidatiereserve is immers om de winsten later op een fiscaal vriendelijke manier uit te keren (zoals een dividend), en dus niet te ‘kapitaliseren’.

Meer en meer wordt echter aangenomen dat de liquidatiereserve aan de blote eigenaar van de aandelen toekomt. Winsten die niet uitgekeerd worden als dividenden en aan de reserves toegevoegd worden – wat het geval is bij de liquidatiereserves – maken vanaf dat moment deel uit van het kapitaal van de vennootschap. Beslist de algemene vergadering bijvoorbeeld vijf jaar later om die reserves uit te keren tegen 5% roerende voorheffing, dan maken deze uitkeringen deel uit van het kapitaal. Het zijn dus geen vruchten of dividenden meer.

Sommige juristen gaan zelfs nog verder, en stellen dat de liquidatiereserve die uitgekeerd wordt toekomt aan de blote eigenaar(s) van de aandelen, maar ‘bezwaard is met vruchtgebruik’. De liquidatiereserve volgt met andere woorden het statuut van de aandelen: een stuk van de liquidatiereserve komt toe aan de blote eigenaar(s) en een stuk aan de vruchtgebruiker. In principe zouden de uitkeringen uit de liquidatiereserve op een gezamenlijke rekening van blote eigenaar(s) en vruchtgebruiker(s) gestort moeten worden, of krijgen ze elk de waarde van hun respectievelijke vruchtgebruik of blote eigendom.

Finaal vindt dus maar een minderheid van de juristen dat de uitkering van liquidatiereserves aan de vruchtgebruiker toekomt. Rechtspraak hierover bestaat nog niet, zodat een finale beslechting van deze discussie afgewacht moet worden tot de hoven van beroep zich daarover uitgesproken hebben. Intussen zijn eindeloze discussies en conflicten tussen ouders en kinderen natuurlijk niet uitgesloten... Daarom kunt u dit probleem maar beter preventief aanpakken.

Maak duidelijke afspraken!

U heeft de blote eigendom van de aandelen nog niet weggeschonken

Heeft u met betrekking tot de aandelen van uw vennootschap nog geen successieplanning gemaakt, maar wilt u in de toekomst de blote eigendom van de aandelen aan uw kinderen schenken? Zet dan uitdrukkelijk in de schenkingsakte wat er precies als ‘vrucht’ beschouwd zal worden, en aan wie de liquidatiereserve na de schenking zal toekomen. U kunt daar volledig vrij over beslissen. Neem bijvoorbeeld in de akte op dat “elke uitkering van de aangelegde liquidatiereserves opgebouwd conform artikel 184quater WIB 92 kwalificeert als vrucht en toekomt aan de vruchtgebruiker”.

U heeft de blote eigendom van de aandelen reeds weggeschonken

Heeft u de blote eigendom van de aandelen reeds aan uw kinderen geschonken en wilt u alle mogelijke discussies hierover in de toekomst vermijden? Dan kunt u de statuten van de vennootschap wijzigen. Als vruchtgebruiker van de aandelen oefent u immers de stemrechten in de algemene vergadering uit en kunt u in principe een statutenwijziging doorvoeren. U zet dan gewoon uitdrukkelijk in de statuten dat de uitkering van de liquidatiereserves toekomt aan de vruchtgebruiker.

Een statutenwijziging is natuurlijk niet gratis, want u moet daarvoor naar de notaris. Weet evenwel dat de statuten van uw vennootschap tegen eind 2023 sowieso aangepast moeten worden om conform te zijn met het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen. Heeft u dat nog niet gedaan, dan kunt u van die gelegenheid gebruik maken om ineens ook de liquidatiereserve via de statuten te regelen.

Conclusie

  • Door in uw vennootschap een liquidatiereserve aan te leggen betaalt zij 10% extra belasting bovenop de vennootschapsbelasting, maar kunt u dat geld na een ‘wachttermijn’ van minstens vijf jaar onder de vorm van een dividend uit uw vennootschap halen tegen slechts 5% roerende voorheffing.
  • Hoewel het fiscaal gezien om een dividend gaat, is dat burgerrechtelijk niet noodzakelijk het geval. De liquidatiereserve behoort dus niet per definitie tot de ‘vruchten’ waarop de vruchtgebruiker van de aandelen recht heeft, in tegenstelling tot een ‘gewoon’ dividend. Over het statuut van de liquidatiereserve zijn juristen het niet eens. U anticipeert dan ook het beste op problemen daaromtrent.
  • Heeft u de blote eigendom van de aandelen reeds aan uw kinderen geschonken, dan kunt u als vruchtgebruiker de statuten van de vennootschap aanpassen en daarin bepalen dat de liquidatiereserve aan de vruchtgebruiker van de aandelen toekomt.
  • Wilt u de aandelen van uw vennootschap in de toekomst aan uw kinderen schenken met voorbehoud van vruchtgebruik, dan kunt u in de schenkingsakte preciseren wat er precies als een ‘vrucht’ beschouwd moet worden en de liquidatiereserve daaronder opnemen.

Wenst u meer informatie?